De hoek van dertig graden
De standaard uit musea is een lichtbundel die onder ongeveer dertig graden op het werk valt, gemeten vanaf de verticaal. Steiler en u krijgt schaduw van de lijst over het doek; vlakker en het licht kaatst terug in uw ogen.
Bij werk met structuur — impasto, fresco, textiel — mag u naar veertig of vijfenveertig graden. Dan strijkt het licht over het oppervlak en ziet u het reliëf, en dat is precies wat u wilt tonen.
Bij glanzend werk of glas is het omgekeerde het probleem: elke lichtbron die u recht ziet, ziet u ook in het glas. Verplaats de lamp, niet het werk.
Welke lamp
Twee getallen doen ertoe. De kleurtemperatuur: 2700 tot 3000 kelvin voor warme kleuren en hout, tot 3500 als er veel blauw en wit in het werk zit. Kouder dan 4000 maakt van elk schilderij een röntgenfoto.
En de kleurweergave-index, CRI of Ra. Onder de 90 verschuiven kleuren zichtbaar — rood wordt dof, huidtinten worden grauw. Voor kunst koopt u een lamp met CRI 95 of hoger; die kost een paar euro meer en dat is het enige verschil dat u ziet.
Uv is bij led geen probleem meer, maar warmte wel: houd een spot minstens een halve meter van het werk, zeker bij werk op papier.
Hoeveel licht
Meer licht is niet beter. Musea houden voor gevoelig werk op papier vijftig lux aan en voor olieverf tweehonderd; thuis mag dat ruimer, maar het punt blijft dat u het werk wilt laten zien en niet aanstralen.
Een enkele spot met een bundelhoek van vijfentwintig tot vijfendertig graden dekt een werk van ongeveer een meter breed. Voor bredere werken zijn twee spots op gelijke afstand beter dan één sterke in het midden, anders krijgt u een lichtvlek.
Zet de spot op een dimmer. Overdag concurreert hij met daglicht en 's avonds is dezelfde stand te fel.
Praktische opstellingen
Drie opstellingen dekken de meeste situaties. Een railspot op ongeveer een derde van de kamerdiepte vanaf de wand geeft vanzelf een hoek rond de dertig graden bij een standaard plafondhoogte — dat is de eenvoudigste manier om het goed te krijgen zonder te rekenen.
Een opbouwarmatuur boven het werk, aan de lijst of aan de muur, is de klassieke oplossing bij schilderijen. Let er dan op dat de arm lang genoeg is: te kort en het licht valt alleen op de bovenste twintig centimeter.
En als er niets kan: een vloerlamp schuin voor het werk. Dat is minder mooi dan een spot en aanzienlijk beter dan geen licht, zolang u de lamp zelf niet in het glas ziet.
Daglicht
Direct zonlicht is de snelste manier om een werk te beschadigen: papier verkleurt, pigment verbleekt en lijmen worden bros. Dat gaat over jaren, maar het is onomkeerbaar.
Hang werk daarom niet op een wand die tussen de middag zon vangt. Een noordmuur is het veiligst; een zuidmuur kan met uv-werend glas of een raamfolie, maar dan nog geldt: liever niet in de zonlijn.
Wissel gevoelig werk desnoods af. Twee werken die elk een half jaar hangen, verouderen samen langzamer dan één dat er altijd hangt.
